Het Bätz-orgel

HISTORIE
RESTAURATIE
DISPOSITIE

Den Haag beschikt over een uniek historisch orgel op een unieke locatie.
Het is te vinden in de Lutherse kerk aan de Lutherse Burgwal in het centrum van de stad. De gerenommeerde orgelbouwer Bätz bouwde het instrument en in september 1762 werd het in gebruik genomen. Evenals de kerk is het orgel nu een rijksmonument.Briljante musici hebben het orgel bespeeld. De wekelijkse orgelbespelingen door Feike Asma in de vijftiger jaren spreken nog immer tot de verbeelding. Ook hebben velen de organisten Willem Mudde, Marie Claire Alain, Charles de Wolff, Ton Koopman en Ben van Oosten het orgel horen bespelen. Zelfs de ‘jonge’ Mozart heeft kennis genomen van het orgel, bij zijn bezoek aan Den Haag in 1765.

Al die namen staan voor een grootse muziekgeschiedenis.
En die geschiedenis wordt nog steeds vervolgd. De vaste bespeler is nu Aart Bergwerff, hoofdvakdocent orgel aan het Rotterdams Conservatorium.Het Bätz-orgel is van een uitzonderlijke kwaliteit en geniet een internationale reputatie: een meesterwerk van orgelbouwer Johann Heinrich Hartmann Bätz. Het orgel is in gebruik bij de wekelijkse vieringen, bij talrijke orgelconcerten en bij het onderwijs aan orgelstudenten uit binnen- en buitenland.
Het orgel leent zich uitstekend voor de uitvoering van zowel de klassieke orgelmuziek als uitvoeringen van het meer moderne repertoire en weet daardoor de toehoorders steeds weer te boeien en te enthousiasmeren. Zoals bij ieder instrument heeft ook dit monument te lijden onder de ‘tand des tijds’. De ambachtelijk vervaardigde hout- en lijmverbindingen en toegepaste natuurlijke materialen maken het instrument bijzonder kwetsbaar; restauratie was dus geboden.
Het laatste grondige herstel vond plaats in 1947. Sindsdien is het instrument schoon en bespeelbaar gehouden. Maar na bijna 60 jaar was een grote restauratie meer dan noodzakelijk. Deze is in 2006 begonnen en is in het najaar van 2007 voltooid.
Het doel van deze site is om u kennis te laten maken met dit unieke orgel.

100_1841

Fotografie: Ed Geels